Wat is een oogonderzoek en hoe wordt het uitgevoerd?
Een oogonderzoek bestaat uit een reeks onderzoeken, die uitgevoerd worden om het gezichtsvermogen te bepalen. De eerste vaststelling van het gezichtsvermogen is belangrijk voor de onderzoeken die nadien zullen uitgevoerd worden. De vermindering van het gezichtsvermogen neemt de eerste plaats in bij de klachten die door oogziektes veroorzaakt worden.
Een normaal oogonderzoek bestaat uit 4 delen. Indien van toepassing, wordt uw dioptrie aan de hand van metingen vastgesteld; met de bio-microscoop wordt de voorste oogkamer, het netvlies (fundus) en de oogachtergrond onderzocht en de oogdruk gemeten.
Voor de vaststelling van het gezichtsvermogen van kinderen bestaan er speciale onderzoeksmethodes.
Diagnose van de brilsterkte
Myopie, hypermetropie, atsigmatisme zijn de voornaamste oorzaken van een verminderd gezichtsvermogen. Deze oogafwijkingen komen meestal in de twee ogen voor. Maar het kan ook voorkomen dat één oog een normaal gezichtsvermogen heeft, terwijl het andere minder goed ziet, of dat de twee ogen elk een verschillende afwijking hebben.
Oogafwijkingen kunnen, afhankelijk van de leeftijd, verschillen. Het doel van het oogonderzoek is niet alleen de diagnose van de oogafwijking, maar ook het bepalen van de voor de patiënt meest aangewezen behandelingsmethode (zoals een bril, contactlenzen, een operatie of een laseroperatie).
Meten van de oogdruk
Het is belangrijk dat de oogdruk regelmatig gecontroleerd wordt.
Afgesloten kamerhoekglaucoom veroorzaakt klachten zoals hoofdpijn, roodheid in de ogen, troebel zicht, lichtgevoeligheid, oogpijn en misselijkheid. De normale oogdruk ligt tussen 10 en 21 mm Hg.
Een andere vorm van glaucoom dat door hoge oogdruk veroorzaakt wordt, is het “open kamerhoekglaucoom”. Het is meestal moeilijk deze ziekte te diagnosticeren. De zich heimelijk voortzettende ziekte wordt alleen vastgesteld wanneer het centrale gezichtsveld van de patiënt aangetast is. Spijtig genoeg is het dan niet meer mogelijk de aangerichte schade te herstellen.
Microscopisch onderzoek
Bij het microscopisch onderzoek wordt een evaluatie gemaakt van de verschillende oogstructuren zoals de oogleden, de wimpers, de conjunctiva (bindvlies, slijmvlies), het hoornvlies, de harde oogrok (sclera), de iris, de pupil, de lens en het glasvocht. Een aandoening of afwijking van deze structuren gaat meestal gepaard met bepaalde klachten. Wat de oogklachten ook mogen zijn, is het niet verstandig te denken dat ze niet belangrijk zijn. Mits een vroege diagnose is het mogelijk de ogen tegen latere oogschade te beschermen.
Onderzoek met oogdruppels
In het oog worden pupilverwijderende oogdruppels gedaan; na 30 minuten wordt de gezichtsscherpte opnieuw gemeten en wordt het oog opnieuw onderzocht (netvlies, vaten en zenuwlagen)..
Onderzoeken en testen
Traantesten
De traanfilm bestaat uit 3 lagen. Van buiten naar binnen toe onderscheiden we de volgende lagen: een olie-achtige laag, een waterige laag en een slijmachtige laag. Elk van deze lagen wordt door afzonderlijke cellen of kleine kliertjes geproduceerd. De traanfilm houdt het oog vochtig en zorgt ervoor dat het oog gemakkelijk kan bewegen. Verder beschermt de traanfilm het oog ook tegen microben, helpt het voeden van bepaalde cellen die aan de voorkant van het oog liggen en zorgt ervoor dat we de dingen scherp kunnen zien. Wanneer we een probleem met de traanfilm hebben, kunnen we last krijgen van een branderig gevoel in de ogen, stekende oogpijn, jeuk, droogte, roodheid en een troebel zicht.
Een afwijking van de oogtranen kunnen ontstaan door een functiestoornis van de traanpomp, maar ook als een reactie optreden op aandoeningen die de buitenkant of de rand van het oog aantasten. Tijdens het oogonderzoek wordt de traanfilm met de hulp van een microscoop onderzocht. De traanproductie wordt gemeten met een papieren stripje, de zogenaamde Schirmer-test.
Onderzoek van de oogbewegingen
Het onderzoeken van de oogbewegingen is vooral bij baby’s en kinderen belangrijk. Ook wanneer de ouders riskeren een probleem van scheelzien of andere afwijkende oogbewegingen niet te kunnen vaststellen, kan het voorkomen dat alhoewel er geen enkele abnormaliteit te zien is, er bij het kind toch sprake is van een deviatie van het oog. Alleen door objectief uitgevoerde testen kan beslist worden of het kind lijdt aan een afwijking zoals deviatie of pseudo-scheelzien.
Tijdens het onderzoek voor scheelzien worden verschillende methodes gebruikt, zoals o.a. de afdektesten, prismalatten-testen, onderzoek met speciale lenzen, de synoptofoor of het Hess scherm. De reden voor de gezichtsvermindering kan te wijten zijn aan een aangeboren afwijking, staar, glaucoom, een tumor of een aandoening van de oogzenuw. Een vroege diagnose van de reden van de deviatie is erg belangrijk voor de herstelling van het gezichtsvermogen en de behandeling van de deviatie.
Zenuwlaag en oogzenuw
Zolang de patiënt geen klachten heeft, worden de zenuwlaag en de oogzenuw niet in detail onderzocht. Moeilijk te detecteren ziektes (zoals netvliesloslating en degeneratie) en risicofactoren kunnen enkel met een nauwkeurig onderzoek van de betreffende oogdelen vastgesteld worden.
Het zien van streepjes, stipjes, troebelingen en het zien van de dingen in een andere kleur of vorm, het niet zien van bepaalde dingen op een effen oppervlak, lichtflitsen, uitval van het gezichtsveld zijn belangrijke klachten, waaraan echter veelal niet de nodige aandacht geschonken wordt. Deze symptomen kunnen ontstaan door redenen die geen behandeling behoeven, maar ze kunnen ook de voorlopers zijn van ernstige oogziektes. Maar indien het inderdaad om een ernstig probleem gaat dat een behandeling nodig heeft, is het belangrijk en moet de behandeling onmiddellijk aangevat worden.
Diagnose van de curven van het hoornvlies en de corneatopografie
Bij een deel van de patiënten die met oogklachten naar de arts gaat, treedt met de door de dokter voorgeschreven bril of behandeling helemaal geen verbetering op. De hoofdredenen daarvoor is dat tijdens het onderzoek bepaalde onregelmatigheden of aandoeningen van het hoornvlies niet gediagnosticeerd werden. De meest voorkomende afwijkingen zijn astigmatsime en keratoconus. Om deze afwijkingen te kunnen vaststellen moeten speciale tests uitgevoerd worden. De topografietest, die eveneens bij de onderzoeken voor een laserbehandeling gebruikt wordt, stelt ons in staat om een brekingskaart van het hoornvlies te verkrijgen en afwijkingen van het hoornvlies vast te kunnen stellen.
Vaststellen van de dikte van de hoornvlieslaag
Voor die patiënten die door een laserbehandeling van het dragen van een bril willen verlost worden, is het vaststellen van de dikte van de hoornvlieslaag van groot belang. Daarbuiten kan men de dikte van de hoornvlieslaag ook omwille van diagnostische redenen meten.
De meting van de laagdikte van het hoornvlies is vooral van belang voor diagnose van de drukhoogte in het oog. Uit ervaring weet men dat personen met een te dikke hoornvlieslaag veelal een hoge oogdruk hebben. Het meten van de dikte van het hoornvlies helpt zowel bij het afstappen van een glaucoomdiagnostiek bij op glaucoom verdacht patiënten, als bij het juist diagnosticeren van patiënten waarbij voordien een verkeerde glaucoomdiagnostiek werd gemaakt.
Meting van de oogdelen
Afmetingen zoals de meting van de oogleden, de afstand tussen de oogleden, de breedte van het hoornvlies, de afstand tussen de twee ogen kunnen met een meetlat gemaakt worden. Met een speciaal apparaat dat de Hertel exophthalmometer genoemd wordt, kan men de graad van uitpuiling van het oog meten. Door middel van ultrasone golven kunnen de lengte tussen de voor- en achterkant van het oog, de dikte van de ooglens en de diepte van de voorste oogkamer gemeten worden.
Aan hand van deze metingen en de stand van de oogleden, kan men eventuele verzakkingen van de oogleden vaststellen; de grootte van het hoornvlies vertelt ons of de graad van uitpuiling van het oog normaal is en verschaft ons de waarden van het binnenoog.
Specifieke oogonderzoeken
Wanneer men tijdens het normale onderzoek de achterzijde van het oog niet kan zien of indien men een evaluatie nodig heeft van de weefsels die zich rond de oogbol bevinden, wordt een ultrasonografie gemaakt. Soms wordt een ultrasonografie ook gebruikt om een massa dat zich achteraan het oog bevindt te evalueren.
Het zien begint met het oog en gebeurt met dat deel van de hersenen dat het beeld waarneemt en dat zich vlak achter de ogen bevindt. Bovendien worden de verschillende oogreflexen en oogbewegingen gecontroleerd door bepaalde delen van onze hersenen. Teneinde een evaluatie te maken van die delen van de hersenen waarmee we al dan niet kunnen zien, worden diagnoses gemaakt aan hand van de klassieke röntgenfoto’s, computer tomografie, magnetische resonantie-beeldvorming, ultrasonografie van de halsslagader en medicijnen.
De diagnostiek van aandoeningen van de zenuw en de bloedvaten van het oog, wordt door middel van een fluorescentie angiografie van de achtergrond van het oog gemaakt, waarbij een speciale kleurstof in de ader van de arm ingespoten wordt, of met een infracyanine groen angiografie.
Door onderzoek van het gezichtsveld worden glaucoom en aandoeningen van de gezichtsbanen gediagnosticeerd en de evolutie van de aandoening gevolgd.